Korte schets van de geschiedenis van de medische faculteit te Leuven
Toen de Leuvense universiteit officieel op 7 september 1426 in de Sint-Pieterskerk werd ingehuldigd, was de faculteit der geneeskunde bij de eerste om haar poorten te openen. Vrij algemeen wordt aanvaard dat op 18 oktober 1426 de eerste colleges in deze faculteit gegeven werden onder leiding van Jan de Neele, magister artium en doctor in de geneeskunde, afkomstig uit Breda.
In de eerste jaren van het bestaan van de Leuvense universiteit - waarbij reeds in 1426 via een pauselijke bul aan de seculiere geestelijkheid toestemming werd verleend om geneeskunde te studeren en te onderwijzen aan het Studium generale - behoorden de medici zeker niet tot de oorspronkelijke vorsers van deze institutie. Het eerste gedateerde boek dat te Leuven voor de faculteit der geneeskunde gedrukt werd, het Liber ruralium commodorum van Petrus de Crescentiis (Jan van Westfalen, 1474), diende hoofdzakelijk het onderwijs in de botanica aan deze instelling. In het begin van de 16de eeuw zou het programma van de medicijnen niettemin reeds de klassieke vakken omvatten: de anatomie, de fysiologie, de hygiëne en de leer der ziekten en van hun behandeling (de zgn. materia medica). Nochtans werd toen nog hoofdzakelijk een boekenopleiding verstrekt, waarbij de student in de medicijnen - naast de onvermijdelijke introductie in de astronomie en de wiskunde: wetenschapsterreinen welke in die tijd door de Leuvense medici bij voorkeur betreden werden! -, in Latijnse vertaling de werken van Hippokrátês, Galênós en zijn commentatoren Rhazes en Avicenna bestudeerden. Het ging hier om een theoretische leerstof, waarover een beperkt college van doctores - conform met de geest van dien tijd! - met een dogmatische kracht gezag uitoefende.
Ofschoon sommige professoren, zoals Hieremias Thriverius (Jeremius de Drijvere, 1504-1554) zich, na de studie in de wijsbegeerte, speciaal met medische wetenschap en onderzoek zouden inlaten en zich over praktische medische problemen zouden buigen - Thriverius zou ondermeer het besmettelijk karakter van schurft aantonen! -, bleven zij nog zéér dicht bij hogergenoemd traditioneel onderwijs. Zij schreven vooral commentaren op de werken van de grote auteurs uit de Grieks-Romeinse oudheid: Hippokrátês, Galênós, en Celsus. Men zou in feite moeten wachten op de medestanders van de revolutionaire Andries van Wesele (Vesalius) om het wetenschappelijk onderwijs in de geneeskunde te Leuven met adelbrieven begiftigd te zien.
De later beroemde anatoom Andreas Vesalius studeerde te Leuven aan het Paedagogium Castri (de pedagogie “Het Kasteel”) en het beroemde Collegium Trilingue (“College van de drie talen”: Grieks, Latijn en Hebreeuws). Hij ging, nadat hij te Leuven in de wijsbegeerte en rechten had gestudeerd in 1533 te Parijs de studie van de medicijnen aanvatten en publiceerde bij zijn terugkeer als Leuvens student - voor het behalen van de graad van licentiaat - een parafrase van het negende boek van Rhazes aan de koning der Almensoren. Tenslotte zou hij nadien in Padua tot doctor promoveren, waar hij ook zou doceren, en publiceerde in 1543 - een jaar voor hij hofarts werd van Karel V - zijn monumentale De Humani Corporis Fabrica libri septem: een werk dat de nieuwe tijd in de geneeskunde zou inluiden en dat op niet minder dan tweehonderd plaatsen van Galenos afweek.
In de zestiende eeuw vermelden we onder de talrijke afgestudeerden van de Leuvense medische school ondermeer Nicolaus Biesius (Nicolaas van Biesen), die een der eerste door Filips II benoemde professores regii (“koninklijke professoren”) te Leuven was, die - ongeacht het verschijnen van Vesalius’ Fabrica - nog hoofdzakelijk de Ars parva (“Kleine Kunst”) van Galênós doceerde. Ook Cornelius Gemma, de zoon van de beroemde genees- en wiskundige Renier Gemma (Gemma Frisius), zou zich in die tijd nog in sterkere mate interesseren aan wiskunde en astrologie dan aan de geneeskunde.
Onder de prominenten van de faculteit uit de eerste helft van de zeventiende eeuw (- die na een zeer moeilijke tijd met de bezetting, de verwoestingen der godsdienstoorlogen en de pest-epidemie terug een zekere bloei zou kennen -) kan onder meer Thomas Fienus (Thomas Fyens) worden gerekend, die naast een vrij zinloze discussie over “het tijdstip waarop de foetus met de ziel wordt begiftigd” een aantal verdienstelijke werken zou nalaten (o.m. Libri chirurgici XII, 1602 en Semiotica, sive de signis medicis tractatus, 1664) en Vopiscus Fortunatus Plempius (Van der Plemp), die in de tweede uitgave van zijn Fundamenta seu Institutiones Medicinae (1644), na een aanvankelijke afwijzing, onder invloed van Descartes Harvey’s concept “de werkelijkheid van de nieuwe circulatie” zou aanvaarden. Promoties in de medicijnen waren in die tijd te Leuven een nog eerder uitzonderlijk gebeuren (in 1578 vier; vijftien jaar later, in 1593, vijf; daarna een kwart eeuw later nog twee in 1618; tenslotte één in 1625). In de zeventiende eeuw zou de medische faculteit te Leuven trouwens nog steeds de kleinste van alle faculteiten blijven (het gemiddeld aantal studenten dat examens aflegde bedroeg tussen 1630 en 1680 niet méér dan 16 per jaar).
Grote namen omstreeks het einde van de zeventiende eeuw en in het begin van de achttiende eeuw waren niettemin Franciscus Zypaeus (van der Zeypen), die zijn bekendheid vooral dankt aan het in 1683 verschenen en herhaaldelijk herdrukte Fundamenta medicinae physico-anatomica en Philippus Verheyen, van wie het opmerkelijk leerboek over de menselijke anatomie na zijn dood in twee delen werd herdrukt: Corporis Humani Anatomiae Liber primus (-secundus) (1710) en door Sassenus in het Nederlands werd vertaald onder de titel Anatomie ofte ontleedkundige Beschryvinge van het Menschen Lichaem (1711); een werk dat met de vertalingen meegerekend 21 uitgaven beleefde en dat vooral in Duitsland en Italië hoog werd geprezen.
De achttiende-eeuwse faculteitsgeschiedenis zou hoofdzakelijk door professor Henricus Josephus Rega worden gedomineerd, die vooral grote faam verwierf als clinicus. Hij was de auteur van De sympathia (1721) - waarin hij wees op het belang van de kennis van de structuur en de functies van de mens en van de wederzijdse “sympathiën” die de diverse weefsels onder elkaar onderhouden - en had nog andere belangrijke traktaten uit zijn ganzenveer laten vloeien: De urinis tractatus duo (1733) en Accurata Medendi Methodus (1737). Hij was de bouwer van een groot Theatrum anatomicum, dat niet alleen tot 1797 in gebruik was, maar ook nog tientallen jaren door de nieuwe universiteit in de negentiende eeuw zou gebruikt worden, de promotor van de kruidtuin én van de universitaire bibliotheek.
Het verdwijnen van de oude Alma Mater, die in 1797 door de Fransen werd afgeschaft (decreet van 4 Brumaire van het Jaar IV, Centraal Bestuur van het Dijledepartement), zou te Leuven een grote leemte nalaten. Tevergeefs poogde het stadsbestuur van het Frans bewind de belofte los te krijgen om een van de nieuwe instellingen voor hoger onderwijs in de oude universiteitsstad te vestigen; Brussel kreeg telkens de voorkeur. Te Leuven zouden alleen enkele ex-professoren privaat verder blijven doceren. Een medische faculteit bestond overigens in de Belgische departementen niet. Alleen werden bij enkele grote ziekenhuizen cursussen ingericht voor de opleiding van gezondheidsofficieren.
In 1817 zou, onder het Nederlands bewind (Willem I), te Leuven een Rijksuniversiteit worden opgericht (zoals overigens te Luik en te Gent). Het aantal hoogleraren was zeer beperkt (3 tot 4, later bijgestaan door enkele geagregeerden of docenten). Hun zware opdracht en het gebrek aan geestdrift, die de oprichting van de rijksuniversiteit in Leuven vergezelde, hadden als gevolg dat de wetenschappelijke bedrijvigheid van deze professoren geen hoge toppen scheerde. Aan de faculteit was zelfs nauwelijks sprake van wetenschappelijke werkzaamheid. Deze kwam veeleer tot uiting in de Société de Médecine de Louvain (1821).
Eens België zijn onafhankelijkheid had verworven, kon het herstel van de oude Universiteit van Leuven vanzelfsprekend niet uitblijven. Reeds in 1834 richtten de Belgische bisschoppen te Mechelen een vrije katholieke universiteit op, die het daaropvolgende jaar, nadat de Rijksuniversiteit er gesloten werd, naar Leuven werd verplaatst.
De medische faculteit aan de nieuwe Katholieke Universiteit te Leuven startte in 1835 met negen professoren en vijfendertig studenten. Ongeveer een eeuw lang, tot aan de wet van 1929, zouden de onderwijsstructuren vrijwel ongewijzigd blijven: twee jaar kandidatuur in de natuurwetenschappen, twee jaar kandidatuur in de geneeskunde, twee jaar doctoraat. De universiteit organiseerde wel enkele speciale doctoraten bijvoorbeeld in de oogheelkunde in 1894. De oogheelkunde was in de negentiende eeuw het enige specialisme. Dit was te danken aan het feit dat er in het Leuvense militair hospitaal een bekend oogarts bedrijvig was, Frédéric Hairion (1809-1887), de stichter van het Oogheelkundig Instituut van het leger, die de reeds in 1818 door Koning Willem van Oranje op de leerstoel voor medisch-chirurgische oogheelkunde benoemde Antoon Gerard Van Onsenoort had opgevolgd en in 1857 in Leuven het eerste internationaal oogheelkundig congres organiseerde. Eerst in 1919 kwamen er nog andere specialismen bij: de oor-, neus- en keelziekten, en de huidziekten.
In 1839 werd een bijzonder belangrijke kracht aangetrokken die de nieuwe Universiteit glans zou moeten verlenen: een jong Duits geleerde, Theodor Schwann (1810-1882), die onmiddellijk in de anatomie en de embryologie werd benoemd. Schwann, die de grondslag van de celtheorie had gelegd door te wijzen op de structuuranalogie van dieren en planten, zou evenwel niet lang te Leuven blijven, en zou al snel, gestuurd door zijn liberaal-politieke en -filosofische overtuigingen, een leerstoel in de fysiologie aan de Luikse Rijksuniversiteit aanvaarden. Van dan af zou het professorenkorps van de Leuvense medische faculteit voor een hele tijd alleen maar practici tellen: bijv. Pierre Jean Etienne Craninx, die de inwendige geneeskunde doceerde; de verloskundige Louis Hubert (1810-1876), die in zijn specialiteit in het land een onovertroffen reputatie genoot en die als eerste het slecht liggende kind in de moederschoot ging keren door extern ingrijpen; en de chirurg Théophile Debaisieux (1875-1914), die de inrichting van het Sint-Pietersziekenhuis vernieuwde om ze aan te passen aan de ontdekkingen van Louis Pasteur en aan de vorderingen van de chirurgische techniek. Anderen waren eerder origineel, zoals de eerste titularis van de heelkundige kliniek, Baron Maximilien René Michaux (1808-1891), “een man met een snedig woord en met militaire allures”; weer anderen verwierven meer naam door hun sprekerstalent -inzonderheid de fysioloog en psychiater Ernest Masoin (1844-1915) - of door hun verzenbundels dan door hun wetenschappelijk werk.
Zelfs de propedeutische vakken, zoals de anatomie en de fysiologie, zouden aan onze faculteit nog een tijd lang door practici worden onderwezen, die hun tijd vooral in hun spreekkamer doorbrachten en louter theoretische colleges doceerden. Het baart dan ook geen verwondering, dat bij de bouw van een nieuw auditorium voor anatomie in 1877 het plan helemaal geen ruimte had voorzien voor een laboratorium of zelfs voor een microscoop. De eerste die vernieuwing zou brengen, was Gustaaf Verriest (1843-1918), de broer van de dichter Hugo Verriest, die van 1880 tot 1914 hoogleraar in de inwendige geneeskunde was. Hij had zijn opleiding in Duitsland voltooid en voerde, niet zonder enige opschudding onder zijn oudere collegae te verwekken, in de klinische praktijk het beginsel van de experimentele analyse in. Hij droeg bij tot de belangrijke evolutie die onder de volgende generatie zou plaats vinden, doordat hij een aantal jongere collega’s, die bij de bioloog-cytoloog Jean-Baptiste Carnoy (1836-1899) waren opgeleid, aan de faculteit verbond, zoals de patholoog-anatoom en bacterioloog Joseph Denys (1857-1932), de anatoom en neuroloog Arthur Van Gehuchten (1861-1915) en de biochemicus en farmacoloog Manille Ide (1866-1945), die de welsprekendheid van de traditionele school lieten varen ten bate van het laboratoriumonderzoek. Arthur Van Gehuchten zou van af 1889 de celleer toepassen op het zenuwstelsel, waarvan de structuur en werking toen nog bijna onbekend waren. Hij legde mee de grondslag van de theorie over het neuroom; zijn Traité d'anatomie du système nerveux (1896) bleef gedurende tientallen jaren de bijbel van de neuro-anatomen en zelfs van de fysiologen over de hele wereld. Manille Ide, die bij de beroemde fysioloog Emil Ludwig in Duitsland had gestudeerd, richtte het laboratorium voor farmacologie op en kon de universitaire overheid er van overtuigen dat de vooruitgang in de geneeskunde afhankelijk was van het biologisch onderzoek. Hij zorgde ervoor dat de Nederlander Adrien Karel Marie Noyons in 1912 te Leuven benoemd werd voor de leerstoel fysiologie. Hij werkte een zeer oorspronkelijk plan uit voor de bouw van het fysiologisch instituut, dat later tussen de twee wereldoorlogen in onder leiding van professor Jozef-Paul Bouckaert (1896-1976) een zeer actief onderzoekscentrum zou worden, waar ook de latere ontdekker van de lysosomen en Nobelprijswinnaar Christian de Duve (1974) zou worden gevormd. Voor het eerst waren er nu aan de faculteit der Geneeskunde professoren, die zich volledig toelegden op wetenschappelijk werk en geen medische praktijk in de stad meer uitoefenden.
Prominente figuren waren ondermeer de bacterioloog Richard Bruynoghe (1881-1957), die een modern bacteriologisch instituut uitbouwde, de canceroloog Joseph Maisin (1893-1971), die op dit vlak vernieuwend, zij het thans betwist, onderzoek uitvoerde en de iets jongere Albert Lacquet (1904-2003), die door zijn leermeester Georges Debaisieux belast werd met de ontwikkeling van de thoraxchirurgie te Leuven.
In 1925 zou met de bouw van het Sint-Rafaëlsziekenhuis worden aangevangen, waar thans wèl onderzoekslaboratoria werden voorzien. Sinds 1947 werden verder diverse diploma’s voor specialisten op postgraduaat-niveau in het medisch curriculum opgenomen. In het algemeen leerplan werd gespecialiseerd onderwijs ingevoerd,
eerst in verspreide orde en nadien door aan co-titularissen verschillende onderdelen van een algemene cursus toe te vertrouwen. Zo groeide het academisch corps aan van vierenveertig leden in 1940 tot reeds ongeveer vierhonderd in 1968. Het aantal assistenten, kliniekhoofden en onderzoekers groeide in dezelfde mate.
Zowel het professoren- en docentencorps, als het contingent van assistenten en kliniekverantwoordelijken is sindsdien op spectaculaire wijze verder aangegroeid. Zij werken thans in diverse ziekenhuizen: in het Sint-Pieters- en Sint-Rafaëls-ziekenhuis, in het academisch ziekenhuis te Pellenberg en vooral in het Universitair Ziekenhuis Gasthuisberg, een moderne tempel van hoogtechnologisch geworden geneeskunde - waarvan de eerste fase (het kinderziekenhuis) in 1971 in aanbouw werd genomen. In dit nieuwe complex, dat in 1985 - na de inhuizing van de diensten gynecologie, inwendige ziekten en heelkunde - luisterrijk werd ingewijd, en dat nadien nog verscheidene bouwfases heeft gekend, wordt de langgekoesterde wens waargemaakt om met de meest vooruitstrevende infrastructuur een geïntegreerde hoogkwalitatieve gezondheidszorg te verwezenlijken. Voor de medische faculteit was de ruimtelijke integratie van onderzoek en klinisch onderwijs op eenzelfde grote campus een bijzonder belangrijk winstpunt; om die reden werd het facultaire blok Onderwijs en Navorsing in 1971 samen met het kinderziekenhuis in aanbouw genomen.
In 2005 werd de nieuwbouw ingehuldigd van het blok Onderwijs en Navorsing 2. Voortaan zouden de studenten hier colleges krijgen in een aantal gloednieuwe auditoria en leslokalen, voorzien van alle moderne technologieën. Tijdens datzelfde jaar verhuisden ook de administratieve diensten van de Faculteit Geneeskunde naar het nieuwe gebouw Onderwijs en Navorsing 2. Hiermee werd een belangrijke stap gezet naar de centralisatie van de faculteit op de Campus Gasthuisberg.
Prof. Dr. Jan Godderis

