|
|||||||
|
|||||||
| Slechtziendheid is een oogheelkundig syndroom. Het syndroom wordt vastgesteld na onderzoek van de gezichtscherpte en een onderzoek naar de spanwijdte van het gezichtsveld. | |
Gezichtscherpte |
|
| In het onderzoek van de gezichtscherpte peilt men naar de spatiale grenzen van de visuele discriminatie. De oogarts probeert te bepalen welke het kleinste detail is dat de patiënt nog net kan waarnemen. De gezichtscherpte wordt steeds onder optimale condities onderzocht: met voldoende verlichting en met maximaal contrast. | |
| Bij volwassenen wordt de gezichtscherpte bepaald met optotypes. Als optotype gebruikt men meestal letters die de patiënt moet identificeren. De letters van dezelfde grootte worden in rijen aangeboden, en naar mate men van lijn verspringt verkleint ook de lettergrootte progressief. Hoe kleiner de letters die men nog net kan identificeren, des te groter de gezichtscherpte. | |
|
Bij kinderen vraagt men om figuurtjes in plaats van letters te benoemen. Bij zeer jonge kinderen en mentaal geretardeerden gebruikt men ook rasters. Een raster bestaat uit een oppervlakte van evenwijdige alternerende zwarte en witte strepen die allen even dik zijn. De breedte van deze strepen worden op de opeenvolgende rasters steeds smaller. |
|
| Zeer jonge kinderen moeten kunnen tonen dat ze het raster nog zien. Oudere kinderen moeten de oriëntatie van het raster aanduiden. Het fijnste raster waarvoor ze de opdracht nog net kunnen uitvoeren bepaalt dan hun gezichtscherpte. | |
De spanwijdte van het visuele waarnemingsveld |
|
| Elk oog heeft een gezichtsveld. Daar de ogen van de mens frontaal ingeplant zijn overlappen de gezichtsvelden van elk oog mekaar gedeeltelijk. In het gebied van de overlapping heeft de waarnemer binoculair zicht. Dit binoculair zicht maakt stereopsis of dieptezicht mogelijk waardoor de nauwkeurigheid van de dieptescherpte sterk opgedreven wordt. | |
| Bij een perimetrisch onderzoek wordt de lichtgevoeligheid in het gezichtsveld van elk oog afzonderlijk bepaald. De gezichtsvelden kunnen licht ongevoelige gebieden, of gebieden met sterk verminderde lichtgevoeligheid bevatten. De spanwijdte van het binoculair visueel waarnemingsveld kan ook vernauwd zijn. | |
| Men spreekt van slechtziendheid wanneer de gezichtscherpte van het beste oog, na optische correctie, geen 3/10 van de normale gezichtscherpte bedraagt of ook wanneer de spanwijdte van het binoculaire waarnemingsveld niet groter dan 10 graden bedraagt. Deze niveaus werden vanuit praktische overwegingen door de Wereld Gezondheidsorganisatie in 1977 vastgelegd. | |
| We kunnen een onderscheid maken tussen oculaire en cerebrale slechtziendheid, naargelang de oorzaak van de slechtziendheid in het oog of in de hersenen gelegen is. | |
Oculaire Visuele Inperking (OVI). |
|
| Bij OVI ligt de oorzaak van de visuele inperking in het oog. De inperkingen kunnen veroorzaakt worden door de afwijkende optiek van oog. Daar de optiek van het oog reeds optimaal gecorrigeerd is zal de lichtdoorlaatbaarheid van de optische lagen de in visuele inperking veroorzaken. Deze vorm van OVI kunnen we pre-retinale vormen van oculaire slechtziendheid noemen. | |
| Bij anderen vormen van OVI ligt de oorzaak van de slechtziendheid in het netvlies zelf. Dit noemen we retinale vormen van oculaire slechtziendheid. | |
Cerebrale Visuele Inperking (CVI). |
|
|
Wanneer de oorzaak van de visuele inperking gelegen is in de visuele projectiebanen
die het netvlies verbindt met de visuele hersenschors voorbij het chiasma opticum
of in de visuele hersenschors zelf, dan spreken we van CVI. Meestal wordt CVI veroorzaakt door een neuraal letsel. Alhoewel moeilijker vast te stellen, kunnen ook functionele neurale stoornissen oorzaak zijn van CVI. Zo kan bij kinderen, waar het visuele systeem nog volop in ontwikkeling is, een OVI een CVI veroorzaken door sensoriële deprivatie. |
|
CVI is niet altijd slechtziendheid. |
|
| De gezichtscherpte wordt steeds gemeten voor het centraal gezichtsveld, d.w.z. rond het fixatiepunt. Voorbij dat fixatiepunt en naar de rand toe daalt de gezichtsscherpte zeer snel. Daarom brengt een normale waarnemer, door middel van een oogbeweging, de projectie van zijn fixatiepunt steeds op de fovea centralis. Daar de gezichtscherpte op deze plaats van het netvlies het grootst is wordt de gezichtscherpte het meest aangetast door een letsel in de fovea centralis. Een netvliesletsel buiten de fovea centralis doet alleen de lichtgevoeligheid in het visueel veld dalen. | |
| Het netvlies staat via de primaire visuele projectiebaan in verbinding met de visuele hersenschors. Zo staat de fovea centralis met een welbepaalde zone van de visuele hersenschors in verbinding. Wanneer de verbinding tussen de fovea centralis en de visuele hersenschors geheel of gedeeltelijk onderbroken wordt of wanneer de zone in de visuele hersenschors waarop deze baan aankomt beschadigd is, wordt de gezichtscherpte eveneens aangetast. Hieruit volgt dat CVI gekenmerkt kan worden door een verlaagde gezichtscherpte. Deze vorm van slechtziendheid is CVI met slechtziendheid. | |
| De gezichtscherpte wordt niet ingeperkt waneer de overige verbindingen tussen het netvlies de visuele hersenschors onderbroken worden. Hetzelfde is waar wanneer de visuele hersenschors beschadigd wordt buiten het projectiegebied van de fovea centralis. Daar bij deze stoornis de gezichtscherpte niet aangetast wordt kunnen we hier spreken van CVI zonder slechtziendheid. | |
CVI zonder slechtziendheid. |
|
| In vergelijking met slechtziendheid staat bij CVI het klinisch, zowel als het wetenschappelijk onderzoek nog in zijn kinderschoenen. Zeker wanneer het gaat om CVI zonder slechtziendheid die bij kinderen voorkomt. | |
| CVI zonder slechtziendheid komt zowel bij volwassenen als bij kinderen voor. Bij volwassenen is de CVI zonder slechtziendheid meestal verworven, namelijk het gevolg van een verworven hersenletsel. Wanneer het gaat om een letsel in de hersenschors is het vooral de visuele hersenschors die aangetast wordt. De visuele hersenschors van de mens neemt immers ongeveer 50 % van de totale hersenschors van de groothersenen in beslag. Ook aantasting van sommige subcorticale gebieden kunnen CVI veroorzaken. | |
| Bij het merendeel van de kinderen is CVI aangeboren van aard. Bepaalde vormen van CVI worden erfelijk bepaald (bvb. het Williams syndroom). Bepaalde risico-factoren (prematuriteit (VLBW)) hebben, meestal zeer vroeg in de perinatale ontwikkeling, hersenletsels veroorzaakt onder de vorm van intraventriculaire hemoragieën of leukomalacieën. Toch kan bij kinderen de CVI ook verworven zijn. | |
| In het klinisch zowel als in wetenschappelijk onderzoek is het zeer ongewoon te spreken van CVI zonder slechtziendheid. We gebruiken hier nu eventjes deze nomenclatuur omdat we in onze bespreking vertrokken zijn vanuit het oogheelkundig syndroom "slechtziendheid". Visuele perceptiestoornissen die het gevolg zijn van hersenletsels worden eerder klinisch en wetenschappelijk bestudeerd in de neurologie en de klinische neuropsychologie. | |
|
Daar heeft men het dan over functionele visuele waarnemingsinperkingen die niet te herleiden zijn tot een gezichtscherpte of visuele waarnemingsproblematiek.
In de neurologie zal men bij volwassenen spreken van agnosie in de brede zin van het woord.
Bij kinderen eerder van een ontwikkelings-agnosie. Hier hebben we het verder over CVI zonder slechtziendheid, en zullen we verder spreken over de term "functionele visuele waarnemingsinperkingen" omdat de term "agnosie" behept is met allerlei theoretische vooroordelen. |
|
![]() |
|
| Wanneer functionele visuele waarnemingsinperkingen zich bij kinderen voordoen behoren ze tot het klinisch en wetenschappelijk domein van de ontwikkelingsneuropsychologie. De ontwikkelingsneuropsychologie is geïnteresseerd in de samenhang tussen het zenuwstelsel en het gedrag in ontwikkeling, hier meer bepaald de visuele waarneming. | |
|
Hierbij moet opgemerkt dat de kwaliteit van de menselijke visuele waarneming meestal ingeschat wordt door de gezichtscherpte te bepalen,
terwijl de gezichtscherpte eigenlijk slechts een beperkt aspect uitmaakt van de visuele waarneming.
Dit is zeker zo bij functionele inperkingen van de visuele waarneming.
De gezichtscherpte meting peilt alleen naar het visueel discriminatievermogen,
wat wel een noodzakelijke, maar toch geen voldoende voorwaarde is voor een goede functionele visuele perceptie. Een functionele visuele waarneming vereist daarenboven een goede visuele aandacht, een vermogen om configuraties te vatten enz. |
|
| In het functioneel onderzoek van de visuele waarneming is de identificatie van objecten of situaties door benoemen of het motorisch hanteren van objecten belangrijk. Bij kinderen is het duidelijk dat deze functies gebonden zijn aan de ontwikkeling, en dat de ontwikkeling van deze functies niet synchroon verloopt met de ontwikkeling van de gezichtscherpte. | |
|
De functionaliteit van de visuele perceptie wordt onderzocht in het klinisch neuropsychologisch onderzoek.
Hierin wordt aan het kind gevraagd via benoeming objecten en situaties te identificeren of bepaalde visuomotorische taken uit te voeren.
De prestaties van kinderen zijn ontwikkelingsgebonden vandaar dat de gebruikte neuropsychologische testen slechts bruikbaar zijn binnen een bepaald leeftijdsbereik. De leeftijd die vooraf gaat aan het leren lezen en rekenen is hierin van bijzonder belang. Beide opdrachten vereisen een optimale functionele visuele waarneming. |
|
| Daarom ontwikkelde het Laboratorium voor Neuropsychologie aan de K.U.Leuven een test, de L94, die zeer gevoelig is voor stoornissen in de functionele visuele waarneming van kinderen binnen het leeftijdsbereik van 2 jaar en 6 maanden tot en met 6 jaar en zes maanden. De L94 is zo gemaakt dat ze onderscheid kan maken tussen een slechte prestatie op de test ten gevolgen van een algemene cognitieve problematiek ofwel tengevolge van een specifieke functionele inperking van de visuele waarneming. | |
| Bovendien werd een pakket computerprogramma's ontwikkeld, "LeesLab", dat poogt het beginnend technisch lezen bij deze kinderen te sturen en te remediëren. | |
| [ KULeuven ] [ CVI ] | |
| Copyright Katholieke Universiteit te Leuven, 1999-2000 Informatieleverancier: Laboratorium voor Neuropsychologie (Faculteit Geneeskunde) Opmaak: Hugo Maes Auteurs: Erik Vandenbussche en Hugo Maes tenzij anders vermeld Jongste wijziging aan dit document: 20 november 2000 |
|